Laß, Fürstin, laß noch einen Strahl, BWV 198 is een kantate die Bach schreef voor de begrafenis van Christiane Eberhardine, echtgenote van Augustus II de Sterke, de Keurvorst van Saksen, het keurvorstendom (staat) waarin Leipzig is gelegen.
Deze kantate staat ook bekend als Trauerode of als Trauerode: auf den Tod der Königin Christiane Eberhardine. Deze werd voor het eerst uitgevoerd op 17 oktober 1727 in de Universiteitskerk in Leipzig. Bach zelf dirigeerde vanaf het klavecimbel. Hoewel een zuiver wereldlijke kantate met passende tekst (over hoe zeer de Koningin zal worden gemist), wees Bach op verlossing door cryptische verwijzingen naar eerdere religieuze kantates die hij schreef. Bach leende later van deze kantate voor zijn Markus-Passion en voor Klagt, Kinder, klagt es aller Welt, BWV 244a, een ander treurlied geschreven in 1729.