Op deze dag in 1727 vond de begrafenis plaats van Johann Christoph von Ponickau, een Saksische edelman en kamerheer. Hij werd begraven in de Wehrkirche (een versterkte kerk) van Pomßen, een stad dicht bij Leipzig, en Bach schreef een grafcantate voor hem, op een libretto van Picander.
Von Ponickau koos zelf de titeltekst, die een tekst uit Genesis citeert. Omdat deze tekst zich leent voor een interpretatie die past bij de heilige dag van Maria Lichtmis (Candlemas, 2 februari), voerde Bach deze cantate in latere jaren in Leipzig op die dag op.
Deze cantate mag niet worden verward met het mottet Ich lasse dich nicht, BWV Anh. 159, dat oorspronkelijk werd toegeschreven aan Bach's oom Johann Christoph, maar nu blijkt een vroeg Weimar-werk te zijn (en nu genummerd als BWV 1165).